Het Noord-Atlantisch Verdrag

Washington D.C., 4 april 1949

  • 04 Apr. 1949 -
  • |
  • Last updated 14-Mar-2011 18:14

De partijen bij dit Verdrag bevestigen opnieuw hun vertrouwen in de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en hun wens om in vrede te leven met alle volkeren en alle regeringen. Zij hebben de vaste wil de vrijheid, het gemeenschappelijk erfgoed en de beschaving van hun bevolking, welke zijn gegrondvest op de beginselen van democratie, persoonlijke vrijheid en rechtsorde te beschermen. Zij streven naar het bevorderen van stabiliteit en welzijn in het Noord-Atlantisch gebied. Zij zijn vastbesloten hun krachten te verenigen voor de gemeenschappelijke verdediging en voor het behoud van vrede en veiligheid. Zij verklaren daarom, in te stemmen met dit Noord-Atlantisch Verdrag:

Artikel 1

De partijen verbinden zich ertoe om, zoals uiteengezet in het Handvest van de Verenigde Naties, alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld met vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties.

Artikel 2

De partijen zullen bijdragen tot een verdere ontwikkeling van vreedzame en vriendschappelijke internationale betrekkingen door hun vrije instellingen te versterken, door beter begrip te kweken voor de grondslagen waarop deze instellingen berusten en door een toestand van stabiliteit en welzijn te bevorderen. Zij zullen trachten tegenstellingen in hun internationale economische politiek op te heffen en zullen elke vorm van individuele of collectieve onderlinge economische samenwerking aanmoedigen.

Artikel 3

Teneinde de doelstellingen van dit Verdrag beter te verwezenlijken zullen de partijen, ieder voor zich en gezamenlijk, hun individueel en collectief vermogen om een gewapende aanval te weerstaan handhaven en ontwikkelen door voortdurend en op doelmatige wijze zichzelf te versterken en elkander hulp te verlenen.

Artikel 4

De partijen zullen onderling overleg plegen telkens wanneer naar de mening van een van hen de territoriale integriteit, politieke onafhankelijkheid of veiligheid van een der partijen wordt bedreigd.

Artikel 5

De partijen komen overeen dat een gewapende aanval tegen een of meer van hen in Europa of Noord-Amerika als een aanval tegen hen allen zal worden beschouwd; zij komen bijgevolg overeen dat, indien zulk een gewapende aanval plaatsvindt, ieder van hen de aldus aangevallen partij of partijen zal bijstaan, in de uitoefening van het recht tot individuele of collectieve zelfverdediging erkend in Artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties, door terstond, individueel en in samenwerking met de andere partijen, op te treden op de wijze die zij nodig oordeelt met inbegrip van het gebruik van gewapend geweld om de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied te herstellen en te handhaven.

Artikel 6 ¹

Ten aanzien van de toepassing van Artikel 5 wordt mede als een gewapende aanval op een of meer der partijen beschouwd een gewapende aanval:

  • op het grondgebied van een der partijen in Europa of Noord-Amerika, op de Algerijnse departementen van Frankrijk2, op het grondgebied van Turkije of op de eilanden vallende onder de rechtsmacht van een der partijen in het Noord-Atlantisch gebied ten noorden van de Kreeftskeerkring;
  • op de strijdkrachten, schepen of vliegtuigen van een der partijen, wanneer deze zich bevinden op of boven deze gebieden dan wel enig ander gebied in Europa waar bezettingsstrijdkrachten van een der partijen waren gestationeerd op de dag dat het Verdrag in werking trad, dan wel de Middellandse Zee of het Noord-Atlantisch gebied ten noorden van de Kreeftskeerkring.

Artikel 7

Dit Verdrag heeft geen invloed, en mag niet worden uitgelegd als hebbende enige invloed op de rechten en verplichtingen ingevolge het Handvest van partijen die lid zijn van de Verenigde Naties, noch op de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid.

Artikel 8

Elk der partijen verklaart dat geen der internationale verbintenissen die op dit moment van kracht zijn tussen haarzelf en enige der andere partijen dan wel enige derde staat in strijd is met de bepalingen van dit Verdrag en verplicht zich geen enkele internationale verbintenis aan te gaan die strijdig is met dit Verdrag. Elke dergelijke gewapende aanval en alle dientengevolge genomen maatregelen moeten terstond ter kennis worden gebracht van de Veiligheidsraad. Deze maatregelen zullen worden opgeheven zodra de Veiligheidsraad de nodige maatregelen zal hebben genomen om de internationale vrede en veiligheid te herstellen en te handhaven.

Artikel 9

De partijen richten hierbij een Raad op waarin elk van hen zal zijn vertegenwoordigd, teneinde aangelegenheden betreffende de uitvoering van dit Verdrag in behandeling te nemen. De Raad dient zo te worden georganiseerd, dat hij te allen tijde terstond zal kunnen samenkomen. De Raad zal die hulporganen oprichten welke nodig mochten zijn; in het bijzonder zal de Raad onverwijld een defensiecomité oprichten, dat aanbevelingen zal doen voor maatregelen ter uitvoering van Artikel 3 en Artikel 5.

Artikel 10

De partijen kunnen, bij eenstemmigheid, elke andere Europese staat die de verwezenlijking van de beginselen van dit Verdrag kan bevorderen en die kan bijdragen tot de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden. Elke aldus uitgenodigde staat kan partij worden bij dit Verdrag door zijn akte van toetreding bij de regering van de Verenigde Staten van Amerika te deponeren. De regering van de Verenigde Staten van Amerika zal ieder van de partijen in kennis stellen van het deponeren van elke akte van toetreding.

Artikel 11

Dit Verdrag zal worden geratificeerd en de bepalingen ervan zullen door de partijen ten uitvoer worden gebracht conform hun onderscheiden grondwettelijke procedures. De akten van ratificatie zullen zo spoedig mogelijk worden gedeponeerd bij de regering van de Verenigde Staten van Amerika, die alle andere ondertekenaren in kennis zal stellen van elke depositie. Het Verdrag zal in werking treden tussen de staten die het hebben geratificeerd zodra de ratificatie door de meerderheid van de ondertekenaren, waaronder de ratificatie door België, Canada, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika, zal zijn gedeponeerd en het zal met betrekking tot andere staten van kracht worden op de dag waarop hun ratificatie is gedeponeerd.

Artikel 12

Nadat het Verdrag gedurende tien jaar van kracht is geweest, of te eniger tijd daarna, zullen de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, zich met elkander verstaan omtrent herziening van het Verdrag, met inachtneming van de factoren die alsdan van invloed zijn op de vrede en de veiligheid in het Noord-Atlantisch gebied, met inbegrip van de ontwikkeling van algemene zowel als regionale, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties getroffen regelingen voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid.

Artikel 13

Nadat het Verdrag gedurende twintig jaar van kracht is geweest kan elk der partijen ophouden partij te zijn één jaar nadat kennisgeving van opzegging is gedaan aan de regering van de Verenigde Staten van Amerika, die de regeringen van de andere partijen in kennis zal stellen van depositie van elke kennisgeving van opzegging.

Artikel 14

Dit Verdrag, waarvan de Engelse en de Franse teksten gelijkelijk rechtsgeldig zijn, zal worden neergelegd in het archief van de regering van de Verenigde Staten van Amerika. Gewaarmerkte afschriften ervan zullen door deze regering worden overgelegd aan de regeringen van de andere ondertekenaren.

Het Verdrag trad in werking op 24 augustus 1949 na depositie van de ratificatie door alle staten die het hadden ondertekend.

  1. Na wijziging ingevolge Artikel 2 van het Protocol bij het Noord-Atlantisch Verdrag in verband met de toetreding van Griekenland en Turkije.
  2. Op 16 januari 1963 stelde de Raad vast, dat voor zover het de Algerijnse departementen van Frankrijk betrof de relevante bepalingen van het Verdrag met ingang van 3 juli 1962 hadden opgehouden van toepassing te zijn.