Ga naar de startpagina van de NAVO
Ga naar de startpagina van de NAVO Kroniek
      Dit nummer: Herfst 2002 Vorige nummers  |  Taal
Ga naar de startpagina van de NAVO
 Inhoud
 Voorwoord
 Samenvattingen
 Debat
 Boekbespreking
 Interview
 Artikelen
 Analyse
 Militaire zaken
 Statistieken
 Medewerkers
 Links
 Volgend
 nummer
Ga naar de startpagina van de NAVO Kroniek Contact editor/ abonnement Druk-vriendelijke versie

dit artikel verder doorsturen

Militaire zaken
Na Praag

Zich mengen in de strijd: Midden- en Oost-Europese landen
hebben hun bijdragen aan internationale vredesoperaties
verhoogd
(© SFOR)

Andrew Cottey, Timothy Edmunds, en Anthony Forster, bespreken de militaire hervormingen in Midden- en Oost-Europa en de vermogens van potentiŽle NAVO-leden.

Halverwege dit decennium zullen de NAVO en de Europese Unie iets van tien nieuwe leden hebben, uit Midden- en Oost-Europa. Bulgarije, Estland,. Letland, Litouwen, RoemeniŽ, Slowakije, en SloveniŽ zullen tijdens de Top van Praag, naar in brede kring wordt verwacht, worden uitgenodigd om toe te treden tot de NAVO. Samen met de Tsjechische Republiek, Hongarije en Polen die in 1999 lid van de NAVO werden, zijn dit ook landen die op dit moment in onderhandeling zijn over het EU-lidmaatschap. De toevoeging van tien nieuwe leden uit Midden- en Oost-Europa zal een belangrijke nieuwe dimensie geven aan het huidige debat over de defensievermogens en de lastenverdeling binnen de NAVO, en aan de ontwikkeling van het Europese Veiligheids- en Defensiebeleid van de Europese Unie. Een vraagstuk waar tot dusver echter nog onvoldoende aandacht aan is besteed, is wat de nieuwe leden op militair gebied kunnen en moeten bijdragen aan de NAVO en de Europese Unie, en hoe hun nationale programma's voor de defensiehervorming zich verhouden tot de bredere, collectieve inspanningen van de NAVO en de EU om de Europese defensie te moderniseren.

Als al deze staten tijdens de aanstaande Top in Praag worden uitgenodigd toe te treden tot de NAVO zal de totale bevolking der geallieerde landen sinds 1999 zijn gestegen van 735 miljoen, naar 839 miljoen inwoners. Dit is een groei van meer dan 104 miljoen, van rond de 14 procent (zie tabel met cijfers uit 2000, het meest recente jaar waar uitvoerige, vergelijkbare cijfers over bekend zijn.) De actieve strijdkrachten van de NAVO zullen in de zelfde verhouding zijn toegenomen, van 3.448.590 naar 3.986.045 - een groei van ruim 16 procent. De reservestrijdkrachten zullen echter aanzienlijk zijn toegenomen, aangezien de landen in Midden- en Oost-Europa een extra 1.714.700 man reservisten inbrengen bij de "oude" reserves van de NAVO van 3.774.000- een toename van ongeveer 45 procent. In contrast daarmee bedroeg het BBP van de Midden- en Oost-Europese landen slechts $372 miljard in 2000, vergeleken met $18.074 miljard van de oudere NAVO-leden - een groei van slechts 2 procent van het totale BBP van het Bondgenootschap.

Met de cijfers voor de defensie-uitgaven is het al niet anders. In 2000 gaven de oude NAVO-leden $460 miljard aan defensie uit, terwijl de Midden- en Oost-Europese landen slechts $7 miljard te besteden hadden. Hun toetreding tot de NAVO zal dus resulteren in een toename in de defensie-uitgaven van slechts 1,5 procent voor het gehele Bondgenootschap. Deze cijfers illustreren een harde realiteit. Hoewel het aantal strijdkrachten van de NAVO-landen als gevolg van de uitbreiding aanzienlijk zal stijgen, zijn de nieuwe leden vergeleken bij de oude leden relatief arm, en de middelen die zij de factoaan defensie kunnen besteden zijn veel beperkter.

Vergelijkingen tussen landen


NAVO- en EU-leden en kandidaten:
defensie-uitgaven en strijdkrachten
De vergelijking tussen een paar landen illustreert dit punt. Spanje heeft een bevolking van bijna 40 miljoen, met een BBP van $568 miljard. Het besteedt 1,27 procent van het BBP aan het leger, en kan een defensiebudget genereren van $7.2 miljard. Dit budget wordt gebruikt om een actieve strijdmacht van 143.450 man op de been te houden. Polen heeft een even grote bevolking, (bijna 39 miljoen inwoners), maar heeft een aanzienlijk kleiner BBP van $160 miljard. Hoewel er in verhouding een veel hoger percentage van het van BBP(2.06 procent) aan defensie wordt besteed, bedraagt het budget toch slechts $3.3 miljard, minder dan de helft dan dat van Spanje. Bovendien houdt Polen meer manschappen met een actieve sterkte van 206.045 op de been. Nederland heeft een bevolking van bijna 16 miljoen mensen en een BBP van $347 miljard. Het heeft 1,87 procent van zijn BBP voor defensie bestemd, het heeft een defensiebegroting van $6,5 miljard, en een actieve strijdmacht van 50.430 man. RoemeniŽ daarentegen, met een bevolking van meer dan 22 miljoen, heeft een BBP dat slechts $38,4 miljard bedraagt. Ondanks dat 2,45 procent van het BBP voor defensie bestemd is, heeft het een defensiebegroting van minder dan $1 miljard, waarmee een actieve strijdmacht van 103.000 op de been moet worden gehouden.

Een andere manier om nieuwe en oude NAVO-leden met elkaar te vergelijken, is aan de hand van hun bijdragen aan internationale vredesoperaties, inclusief de operaties onder leiding van de NAVO in BosniŽ en Herzegovina, Kosovo, en de voormalige Joegoslavische Republiek MacedoniŽ*, maar ook andere missies onder auspiciŽn van de VN. In 2000, hebben de oude NAVO-leden 63.293 man geleverd voor vredesoperaties, terwijl de Midden- en Oost-Europese landen 4.294 man personeel hebben bijgedragen. De nieuwe lidstaten zouden dus een extra 7 procent aan de vredesstrijdmacht van de oude NAVO-landen bijdragen - een aanzienlijke bijdrage, maar ook minder dan in verhouding staat tot de totale bevolking van het uitgebreide Bondgenootschap. Vergelijking tussen verschillende landen illustreren ook dit punt. BelgiŽ met een bevolking van 10 miljoen levert bijna 1.500 manschappen aan vredesoperaties. De Tsjechische Republiek met een bijna even grote bevolking draagt iets minder dan 700 militairen bij. Letland, met een bevolking van 2.3 miljoen levert iets meer dan 100 militairen voor vredesoperaties; terwijl Noorwegen met een bevolking van 4.5 miljoen meer dan 1.100 soldaten voor vredesoperaties ter beschikking stelt.

De landen in Midden - en Oost-Europa zijn al sinds het begin van de jaren '90 bezig met defensiehervormingen. Na de ineenstorting van het communisme, bleven Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Hongarije, Polen, RoemeniŽ en Slowakije zitten met een strijdmacht naar Sovjetmodel, die was gestructureerd om taken uit te voeren voor het Warschau Pact. Het was iedereen wel duidelijk dat de strijdkrachten van die landen veel te groot waren voor de nieuwe internationale situatie en dat de hoge defensielasten een te grote druk legden op hun nationale, zwakke economieŽn.

Van begin tot medio jaren '90 werd sterk op defensie bezuinigd. De defensie-uitgaven werden ongeveer gehalveerd vergeleken bij hoogtijdagen van de Koude Oorlog aan het eind van de jaren '80. ook de omvang van de strijdkrachten werd gereduceerd, de troepen kregen andere, niet op het Warschau Pact gerichte taken, de meeste aanschafprogramma's werden afgebroken en de trainingsniveaus werden verlaagd. De recent onafhankelijk geworden Baltische staten en SloveniŽ stonden voor de moeilijke taak dat zij hun nationale strijdmacht van de grond af moesten opbouwen (hoewel dit in het geval van SloveniŽ gebeurde op grond van grondverdedigingingstroepen die op de been waren gebracht toen het land nog onderdeel uitmaakte van het voormalige JoegoslaviŽ). Voor deze landen was het in eerste instantie het belangrijkst lichtbewapende grondverdedigingstroepen te krijgen.

Defensiehervorming

Sinds het midden van de jaren '90 hebben de Midden- en Oost-Europese landen - met de hulp en steun van de NAVO - verdere defensiehervormingen doorgevoerd. Daarbij ging het hoofdzakelijk om verdere reducties op de totale aantallen troepen en de ontwikkeling van troepen die in staat zijn een bijdrage te leveren aan vredesoperaties. De teruggang in de defensie-uitgaven vlakte medio jaren '90 af. Sindsdien hebben de meeste Midden- en Oost-Europese staten hun defensiebudgetten met kleine bedragen verhoogd. Het vooruitzicht op het NAVO-lidmaatschap heeft een belangrijke rol gespeeld in het genereren van politieke druk om verder defensiehervormingen door te voeren, bijdragen te leveren aan operaties onder leiding van de NAVO op de Balkan, en de defensie-uitgaven verder te verhogen. Daarnaast vormt het PfP-programma van de NAVO, met het bijbehorende Plannings- en Toetsingsproces en Actieplan voor Kandidaat-landen, een institutioneel raamwerk voor de gedachtevorming over defensiehervormingsvraagstukken. Zoals uit de tabel blijkt, besteden de Midden- en Oost-Europese landen thans gemiddeld ruim 1,81 procent van hun BBP aan defensie - minder dan het oude NAVO-gemiddelde van 2.12 procent, maar ongeveer vergelijkbaar met het EU-gemiddelde van 1,85 procent.

Deze ontwikkelingen hebben een aantal gevolgen gehad. Het meest positieve daarvan is dat de Midden- en Oost-Europese staten hun bijdragen aan internationale vredesoperaties hebben verhoogd, met name die aan de operaties onder leiding van de NAVO op de Balkan. De Midden- en Oost-Europese staten die hebben deelgenomen aan deze operaties hebben over het algemeen goed gepresteerd en ze hebben geleidelijk steeds zwaardere taken op zich genomen. Deelname aan deze operaties heeft bijgedragen tot de professionalisering van de deelnemende eenheden. Dit positieve effect zou ook kunnen doorsijpelen naar andere delen van de legers van deze landen, door het rouleringssysteem en de regelmatige aflossing van militairen.

De landen van Centraal en Oost Europa zijn al sinds begin de jaren 90 bezig met defensiehervormingen
Sommige critici hebben echter wel betoogd dat de Midden- en Oost-Europese staten in toenemende mate een leger "van twee niveaus" aan het ontwikkelen zijn, het ene niveau bestaande uit de elitekaders die in staat zijn naast de NAVO-Bondgenoten te werken, en het andere, grootste deel, voornamelijk bestaande uit dienstplichtige militairen die steeds minder operationeel effectief zijn. De bezuinigingen op de defensiebegroting plus de belangrijke plaats die de elitetroepen innemen, heeft in veel gevallen geleid tot aanzienlijke reducties op de uitgaven aan onderhoud, operaties en training voor de rest van de troepen. In 2000 heeft de Roemeense chef-staf, generaal Michael Popescu, bijvoorbeeld toegegeven dat 70 procent van de Roemeense luchtmachtpiloten niet operationeel waren, omdat zij onvoldoende vlieguren hadden gemaakt. Vanwege de grote budgettaire beperkingen vliegen Hongaarse piloten gemiddeld slechts 50 ŗ 75 uur per jaar. Even om de gedachten te bepalen, de Amerikaanse luchtmacht vindt 100 vlieguren per jaar een gevaarlijk laag aantal. In het geval van Hongarije zal deze toestand de komende tijd vermoedelijk niet veranderen, behalve voor de 30 Mig-29 piloten die aan NAVO-missies zullen worden toegevoegd.

De Midden- en Oost-Europese landen worden nog steeds geconfronteerd met ernstige problemen bij de defensiehervorming. Wanneer zij tot de NAVO toetreden, zullen de dilemma's voor hun nationale defensie alleen maar toenemen en onderdeel gaan uitmaken van de grotere vraagstukken op het terrein van de defensievermogens en de lastenverdeling waarmee het hele Bondgenootschap worstelt. De relatieve armoede van de Midden- en Oost-Europese staten en de vele andere sociale en economische problemen waarmee ze te maken hebben, betekenen dat zij, zelfs als ze hun defensiebegroting verhogen, over slechts beperkte middelen voor hun strijdkrachten kunnen beschikken. Hoewel er veel politieke steun is voor de oorlog die de Verenigde Staten voeren tegen het terrorisme, betekent de afwezigheid van een directe dreiging in Midden- en Oost-Europa dat er in de nabije toekomst vermoedelijk geen opzienbarende verhoging van de defensie-uitgaven te verwachten is. De Midden- en Oost-Europese regeringen staan voor de moeilijke taak dat zij de beperkte voor defensie beschikbare middelen in evenwicht moeten zien te brengen met hun belofte aan internationale vredesoperaties deel te nemen, met de afnemende operationele effectiviteit van het grootste deel van de strijdkrachten en met beslissingen over de aanschaf van nieuw materieel die zijn uitgesteld.

Defensie doorlichten

Sinds zij lid zijn geworden van de NAVO, zijn de Tsjechische Republiek, Hongarije en Polen alle aan een nieuwe, uitgebreide doorlichting van hun defensie begonnen. Naar aanleiding daarvan kwam voor hun alle drie naar voren dat een bescheiden verhoging van de defensie-uitgaven gewenst was, naast een verdere afslanking van de strijdkrachten en maatregelen om tot een vrijwilligersleger te komen in plaats van een dienstplichtigenleger. Dit duidt op de volgende benadering van defensiehervorming: krimp het bestaande leger in (zowel de actieve als de reservetroepen) om middelen vrij te maken waarmee de vermogens en de operationele effectiviteit van de resterende troepen kunnen worden verbeterd. In hoeverre deze benadering de Midden- en Oost-Europese staten in staat zal stellen hun problemen op te lossen, staat nog te bezien. Wellicht zijn radicalere stappen noodzakelijk, om de middelen te genereren die nodig zijn voor een meer ingrijpende modernisering van de strijdkrachten.

In een omgeving waar een invasie via land onwaarschijnlijk lijkt, is het wellicht verstandiger als de Midden- en Oost-Europese staten meer materieel, zoals tanks, en gepantserde personeelsvoertuigen, voor langere tijd in de opslag zetten en de bijbehorende eenheden naar huis sturen, in plaats van te proberen ze op lagere niveaus van paraatheid in stand te houden. Bovendien hebben de Midden- en Oost-Europese staten nog steeds een enorme reservestrijdmacht vergeleken met de oude NAVO-leden. Nu de diensttijd is verkort (vaak tot minder dan een jaar), er veel gewetensbezwaarden en dienstontduikers zijn, en de herhalingscursussen zowel qua frequentie als qua tijdsduur zijn ingekort, is het zeer de vraag of de reservestrijdkrachten nog wel zo effectief zijn. Vermoedelijk zijn hier verstandige bezuinigingen mogelijk.

Uitgaande van de veronderstelling dat voor een invasie via land een waarschuwingstijd van een aantal jaar zou gelden, betekent deze strategie dat mobilisatie veel langer zou duren, omdat meer tijd nodig zou zijn om materieel uit de opslag te halen en nieuwe troepen te trainen, dan wanneer bestaande reservetroepen gewoon kunnen worden gemobiliseerd.

De Midden- en Oost-Europese staten staan ook voor belangrijke besluiten betreffende de aanschaf van nieuw materieel. Ze hebben materieel uit de Sovjettijd geŽrfd en in de jaren '90 grote aanschaffen uitgesteld, dus dit probleem is nu dringend. Zowel in de Tsjechische Republiek, als in Hongarije en Polen wordt een controversieel debat gevoerd over de vraag of nieuwe gevechtsvliegtuigen moeten worden gekocht, welke dan en hoeveel. Zelfs als wordt aangekocht met steun en subsidie van het Westen, zal de aankoop van groot materieel zoals gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters een groot deel van het budget van de Midden- en Oost-Europese landen opslokken. In 1999 heeft RoemeniŽ bijvoorbeeld het besluit om Amerikaanse Bell 96 Cobra AH-1 aanvalshelikopters te kopen, teruggedraaid, omdat er enorm veel kritiek kwam dat die aanschaf vooral een symbolisch gebaar zou zijn en dat het materieel niet goed kon worden benut, of ondersteund binnen het Roemeense defensiebudget. De Tsjechische Republiek heeft plannen om 24 Gripen gevechtsvliegtuigen aan te schaffen, moeten uitstellen en misschien opgeven, als gevolg van de grote schade die is aangericht door de overstromingen van deze zomer in Midden-Europa. Omdat de Midden- en Oost-Europese staten relatief klein van omvang zijn, kunnen ze vermoedelijk ieder individueel slechts een klein aantal dure machines zoals een gevechtsvliegtuig aanschaffen, terwijl ze wel allemaal hun eigen infrastructuur moeten hebben voor het onderhoud ervan.

Debat

Over dit soort aanschafvraagstukken moet een veel grondiger debat worden gevoerd. Voor veel Midden- en Oost-Europese staten is het wellicht verstandiger als ze hun middelen besteden aan op de grond gestationeerde luchtverdedigingsmiddelen, en systemen om het luchtruim te bewaken. Daarnaast zouden ze een netwerk van bases kunnen opzetten om aan vliegtuigen van de grotere NAVO-landen in een vooruitgeschoven positie onderdak te kunnen bieden.Een andere oplossing zou kunnen zijn dat een paar werkelijk multinationale squadrons gevechtsvliegtuigen worden opgezet - waaraan wordt deelgenomen door Oost- en West-Europese staten en misschien zelfs door niet-NAVO-leden zoals Zweden - die voor alle deelnemende staten de luchtverdediging verzorgen. Dit zou dubbel werk verminderen en de kosten van het instandhouden van aparte nationale strijdkrachten reduceren, terwijl het politieke beginsel van de collectieve veiligheid hiermee wel militair gestalte kan krijgen. De geslaagde ontwikkeling van een Deens-Duits-Pools corps laat zien hoe gemeenschappelijke troepen kunnen functioneren als troepenvermeerderaars (force multipliers) en concreet inhoud kunnen geven aan de veiligheidsgarantie van de NAVO.

Een andere mogelijkheid, die veel lijkt op de vorige, is specialisatie. Staten besluiten enerzijds hun middelen te bestemmen voor gebieden waarop zij bijzondere sterktes bezitten, terwijl zij anderzijds niet langer trachten bepaalde andere vermogens in stand te houden. De Tsjechische strijdkrachten bijvoorbeeld, hebben veel expertise op het gebied van de verdediging tegen nucleaire, biologische en chemische wapens. Als men deze benadering zou overnemen (al is het maar gedeeltelijk) dan zou men op NAVO- en EU-niveau gezamenlijk verder moeten overleggen welke specialistische vermogens nodig zijn, welke staten die zouden kunnen leveren en hoe andere staten hun middelen dan elders het beste zouden kunnen inzetten.

De weg van meer gezamenlijke aanschaffingen, multinationale troepen en specialisatie zou echter een moeilijke weg kunnen blijken. Dit soort ideeŽn zijn in tegenspraak met de begrijpelijke wens van landen om een zo breed mogelijk spectrum aan nationale verdedigingsvermogens in stand te houden, om opgewassen te zijn tegen ieder worst case scenario. Zij staan ook lijnrecht tegenover de lastige vraag aan wie de economische voordelen ten goed moeten komen, die voortvloeien uit de productie van materieel en het onderhoud van de strijdkrachten - zoals de meningsverschillen tussen de verschillende deelnemers aan West-Europese projecten als de Eurofighter illustreren. In het kader van het huidige debat over de defensievermogens, zijn dit problemen voor de NAVO en de EU in hun geheel. Gezien de beperkte middelen van de Midden- en Oost-Europese staten zijn er echter veel argumenten die ervoor pleiten deze weg te volgen.

Vooruitgang

Ondanks deze problemen hebben de Midden- en Oost-Europese staten sinds het begin van de jaren '90 aanzienlijke vooruitgang geboekt met de hervorming van hun strijdkrachten. Ze hebben instrumenten ingesteld voor de democratische, civiele controle op de strijdkrachten en dragen thans actief bij aan de internationale vredesondersteunende operaties op de Balkan en ook elders. In de tijd van een tiental jaren hebben de Baltische staten zich ontwikkeld van staten zonder strijdkrachten, tot deelnemers aan de door de NAVO geleide missies in BosniŽ en Herzegovina en Kosovo. Verschillende landen uit de regio leveren belangrijke specialistische militaire bijdragen op deelgebieden, de verdediging tegen nucleaire, biologische of chemische wapens of het opruimen van mijnen, of zijn daartoe in staat.

Niettemin staan de Midden- en Oost-Europese staten ook voor ernstige problemen op defensiegebied. De ontwikkeling van elitekaders die in staat zijn zij aan zij met de NAVO-Bondgenoten te werken, heeft ten dele verhuld dat de operationele effectiviteit van het grootste deel van de troepen is afgezakt. Een luchtmacht met piloten die te weinig vlieguren maken en dus niet klaar zijn voor een gevechtssituatie, een landmacht met materieel dat niet goed werkt, zijn voor de Midden- en Oost-Europese staten en voor de NAVO in haar geheel van weinig nut. De relatieve armoede van deze landen betekent dat zij, zelfs met een bescheiden verhoging van de defensie-uitgaven, niet in staat zullen zijn echt veel meer aan hun defensie uit te geven.

De Midden- en Oost-Europese regeringen en de NAVO moeten samen deze realiteit onderkennen en collectief onderzoeken op welke wijze men verder moet. Wellicht zullen de gekozen oplossingen nog meer ingrijpende reducties van de strijdkrachten inhouden, zullen bepaalde prestigieuze, maar ook dure, aanschafplannen moeten worden opgegeven, moeten er meer multinationale troepen en multinationale aanschafprojecten komen, moet er meer taakspecialisatie worden toegepast binnen de NAVO en de EU, en moet er meer aandacht worden besteed aan de minder opvallende aspecten van het defensiebeleid, zoals training, operaties en onderhoud, en communicatieapparatuur. Dit betekent dat een aantal moeilijke, gevoelige problemen, zowel nationaal als collectief binnen de NAVO en de EU, moeten worden opgelost. Als daartoe geen stappen worden ondernomen, zal de militaire bijdrage van de Midden- en Oost-Europese staten minder zijn, dan zij zou kunnen of moeten zijn en de voordelen van de uitbreiding worden dan niet ten volle benut.

Andrew Cottey is lector aan het University College in Cork, Ierland. Timothy Edmunds en Anthony Forster zijn respectievelijk research fellow en research director bij het Defence Studies Department, King's College in Londen, gevestigd op het UK Joint Services Command and Staff College.

  Dit artikel put uit een researchproject "One Europe or Several?" dat gefinancierd wordt door de Economic and Social Research Council. Raadpleeg voor verdere informatie het Civil-Military Relations in Central and Eastern Europe Internet Recource Centre. (http://civil-military.dsd.kcl.ac.uk).

...top...

* Turkije erkent de Republiek MacedoniŽ onder zijn constitutionele naam.