Ga naar de startpagina van de NAVO
Ga naar de startpagina van de NAVO Kroniek
      Dit nummer: Herfst 2002 Vorige nummers  |  Taal
Ga naar de startpagina van de NAVO
 Inhoud
 Voorwoord
 Samenvattingen
 Debat
 Boekbespreking
 Interview
 Artikelen
 Analyse
 Militaire zaken
 Statistieken
 Medewerkers
 Links
 Volgend
 nummer
Ga naar de startpagina van de NAVO Kroniek Contact editor/ abonnement Druk-vriendelijke versie

dit artikel verder doorsturen

Boekbespreking
Onwaarschijnlijke prestatie
 

Nicholas Sherwen bespreekt het driedelige meesterwerk van Gustav Schmidt "Een geschiedenis van de NAVO: De eerste vijftig jaar".

"Een geschiedenis van de NAVO: De eerste vijftig jaar" (Palgrave, New York, 2001) is een schitterende compilatie van artikelen, transcripten van mondelinge presentaties, conferentiedocumenten en uittreksels uit grotere studies, in een prachtige band en prachtig aangeboden. Het boek bevat rijkdommen waar iedereen die zich interesseert voor de internationale veiligheidspolitiek dolgraag zijn hand op zal leggen. Het is een fascinerende collectie, en voor iedereen die inzicht wil krijgen in de vraag waarom de eerste vijftig jaar van de NAVO zo'n onuitwisbaar stempel op de wereldpolitiek hebben gedrukt, welke implicaties dat heeft en welke verantwoordelijkheden zij draagt voor de toekomst, vormen alle drie de delen een bron van inspiratie. Maar ze zijn geen geschiedenis van de NAVO.

Tijdens een in 1999 georganiseerde conferentie om dit project in gang te zetten heeft Gustav Schmidt in zijn advies aan ieder die mogelijk een bijdrage zou gaan leveren, een thema neergezet, dat de lezer heel goed tot richtlijn kan dienen. Hij citeert Sean Kay's werk over NATO and the Future of European Security, en schrijft de lange levensduur van het Bondgenootschap aan twee feiten toe. Het eerste feit dat hij noemt, is het bewustzijn van Westerse leiders dat: "De verwijdering van de NAVO uit de regio, de zwakte van de andere instellingen aan de dag zal leggen". De tweede reden die hij geeft, is dat de NAVO bewezen heeft in staat te zijn zich aan te passen aan de tijd, interne spanningen en externe bedreigingen te overleven en daaruit te voorschijn te komen met "een soort institutionele wijsheid die helpt nieuwe problemen te overwinnen".

Wat heeft de NAVO, dat zij zich zo succesvol heeft kunnen aanpassen - tot nu toe - zonder fundamentele schade aan de grondbeginselen waar zij op berust? Veel schrijvers geven wel een aanwijzing. Misschien is het de eenvoud van het Verdrag van Washington zelf, en de oprichting van een instelling - de Noord-Atlantische Raad - die bevoegd is andere mechanismes op te richten die nodig zijn om de taken van de NAVO uit te voeren. Of is het de afwezigheid van iedere hiërarchie in de niveaus waarop de Raad bijeen komt, waardoor er ook geen twijfel mogelijk is over de validiteit van de beslissingen die de Raad neemt en de mate van nationale betrokkenheid die daarin tot uiting komt? Is het het gelukkige huwelijk tussen de korte- en de lange-termijn belangen van de leden die hen ervan weerhouden een echtscheidingsprocedure te beginnen? Of is het de onderbewuste realisatie, welke frustraties en moeilijkheden men op een bepaald moment ook ondervindt, dat het simpele feit dat het Bondgenootschap bestaat ervoor zorgt dat de leden nooit meer met elkaar in een gewapend conflict verzeild zullen raken? Slechts enkele decennia geleden bevochten een aantal leden elkaar nog op leven en dood! Of is het de pragmatische gedachte dat "je niet moet proberen te fiksen, wat niet kapot is"? De NAVO werkt - ga er niet aan zitten knoeien.

Wat de reden ook is, de lezer doet er goed aan dit soort overwegingen in zijn achterhoofd te houden wanneer hij probeert de vele lagen van het Bondgenootschappelijk stramien te ontrafelen. Er zijn meer dan 60 mensen die een bijdrage aan deze boekdelen hebben geleverd, en hun werk varieert van academisch gedreutel, tot een scherpzinnige analyse van vraagstukken die in eerdere tijden wortelen, maar van blijvend belang zijn voor de agenda van vandaag. Of we nu spreken over de invloed van de militaire uitgaven op de economie in de jaren '50, of het debat over de lastenverdeling van a tot z volgen, er zijn nuttige aanwijzingen over ontwikkelingen die een blijvend effect hebben gehad op het veiligheidsdenken van vandaag.

Alan S.Millard vertelt ons in het eerste deel: "Er bestond geen ander oorlogsplan voor het winnen van de Koude Oorlog dan de wil de bevolkingen achter de kapitalistische staat te doen scharen." Hij vestigt echter de aandacht op een fundamentele verandering die door het Bondgenootschap is veroorzaakt ten aanzien van de militaire economische planning. Vanaf 1949 werd er geen oorlogskas meer bij elkaar gebracht voor militaire acties in het buitenland, voor de verdediging van het grondgebied, in de wetenschap dat als de actie zou zijn afgelopen er ook geen gelden meer hoefden te worden verworven. De leden van het Bondgenootschap moesten vanaf 1949 publieke inkomsten voor de defensiebegroting bestemmen "zonder een tijd in de toekomst waarop dat afgelopen zou zijn".

Jack L. Granatstein bespreekt de relatie tussen de NAVO en de Verenigde Naties. Hij beschrijft de onrealistische hoge verwachtingen in het begin, dat de VN collectieve veiligheid zou gaan bieden; de jaren van veto's in de Veiligheidsraad; en de overgang naar de jaren '90. De hoge verwachtingen over de VN uit de begintijd moeten niet worden onderschat. Lester B. Pearson, wiens naam als Bondgenootschappelijk staatsman een van de NAVO-vergaderzalen siert, zag de NAVO oorspronkelijk als een tweedekeus oplossing, die alleen nodig was als de Verenigde Naties niet aan de verwachtingen zouden voldoen. Toen de Oorlog in Korea uitbrak, was de teerling geworpen. Stalin's misrekening overtuigde de Westerse leiders ervan, dat zij verder moesten kijken dan de VN en een sterke, militair capabele NAVO moesten opbouwen om het hoofd te kunnen bieden aan de Sovjetdreiging.

Met de evolutie van de Verenigde Naties als referentiepunt voor de conflictoplossing, maar niet noodzakelijkerwijze als katalysator voor het ondernemen van actie, maakte de NAVO, haast ongemerkt, haar eigen parallelle ontwikkeling door van een organisatie die kon overleggen over "out-of-area" bedreigingen, tot een organisatie die daarbij ook kan ingrijpen. Dit proces is cruciaal om de rol van de NAVO in de hedendaagse wereld te kunnen begrijpen, maar er wordt slechts oppervlakkig aandacht aan besteed. Toch blijft er bij de lezer geen enkele twijfel over bestaan dat het de ervaring opgedaan in Bosnië en Herzegovina via de VN is geweest, die de leden van het Bondgenootschap tot de overtuiging heeft gebracht dat er een andere benadering moest komen.

Tegenwoordig, legt Hall Gardner uit, berust de wetmatigheid van de NAVO op VN-beginselen, niet op VN-procedures. Het is significant hoe ver het debat over de versterking van de VN feitelijk is gegaan en welke personen - VN-secretaris-generaal Trygve Lie, Albert Einstein, en senator Robert A. Taft, om er maar een paar te noemen - in eerste instantie tegen de oprichting van de NAVO waren. Sommigen wilden dat de tekst van het Verdrag van Washington uitdrukkelijk de artikelen uit het VN-Handvest zou citeren, die als richtsnoer voor het optreden van de NAVO zouden moeten dienen. Zij hebben het verloren van diegenen die daar de gevaren van inzagen en aandrongen op een zo groot mogelijke bewegingsvrijheid voor het Bondgenootschap.

Nadat de lezer het hele verhaal heeft doorgewerkt over de opstelling van het Verdrag en hoe alles ook anders had kunnen uitpakken, moet hij al spoedig in het eerste deel zijn aandacht verleggen naar recentere ontwikkelingen. Mats Berdal's hoofdstuk is het eerste van een aantal hoofdstukken die geheel aan de jaren 1990 gewijd zijn. Het biedt echter ook een stuk basale informatie aan die eigenlijk bij de voorgeschiedenis thuishoort, bijvoorbeeld het feit dat binnen-Bondgenootschappelijke meningsverschillen in de jaren '90 niet langer werden verzacht door de bindende invloed van de gemeenschappelijke externe dreiging.

In hoofdstukken daarna wordt de geschiedenis min of meer losgelaten. Er komen onderwerpen aan de orde als de rol van de "culturele interoperabiliteit" als bepalende factor voor de effectiviteit van de NAVO op de Balkan, en de gevolgen van de verschillen in de commandoketens van de NAVO en de VN.

Douglas T. Stuart geeft een plezierige terugblik op George Kennan's voorstel voor een uit drie lagen bestaand lidmaatschap. Dit had ten doel de NAVO een echte mondiale dimensie te geven, en wordt door Robert Lovett beschreven als "inwonende leden, niet-inwonende leden, en zomergasten". Hoe zou hij, zo vraag je je af, de leden, aspirant-leden en PfP-deelnemers, en speciale of bijzondere partners die wij nu kennen, hebben omschreven? Kennan's idee werd spoedig weer losgelaten en iedere keer dat er over uitbreiding werd gesproken, werd het idee van verschillende soorten lidmaatschap effectief van tafel geveegd. Het idee van een mondiale dimensie speelt echter nog steeds op de achtergrond een rol.

Stuart's analyse van 31 testen van de Bondgenootschappelijke solidariteit met betrekking tot geschillen over out-of-area activiteiten, levert veel interessant materiaal op. De geschillen zijn in vijf categorieën ingedeeld: afkeer van het out-of-area beleid van een andere Bondgenoot; inbreuk op een domaine resérvé van een andere Bondgenoot; onterecht gebruikmaken van het Bondgenootschap voor eigen out-of-area initiatieven; onenigheid over de lastenverdeling voortvloeiend uit out-of-area activiteiten; en meningsverschillen over de omschrijving van bepaalde dreigingen. Dit is sterk aanbevolen leesmateriaal. Vooral omdat het ten minste een historische gebeurtenis in de correcte context plaatst. De Golfoorlog word beschreven als het laatste out-of-area vraagstuk van de eeuw, niet als de eerste beproeving van de NAVO na de Koude Oorlog.

Bij hun bespreking van de vraag waarom out-of-area geschillen het Bondgenootschap niet fataal hebben beschadigd, al leidden ze vaak tot meningsverschillen tussen groepen Bondgenoten, wijzen veel auteurs erop dat de meest heikele vraagstukken - Korea, Indochina, en zo voort - zich niet op NAVO-grondgebied afspeelden. Het overleg over out-of-area problemen, zonder dat men na hoefde te denken over mogelijke acties die de cohesie voor taken dichter bij huis in gevaar zouden kunnen hebben brengen, vormde een soort veiligheidsklep. Frode Liland illustreert dit fenomeen met een goed doortimmerd stuk over de factoren die tijdens de Golfcrisis van 1986/87 speelden. Dat waren onder meer: overleg zonder commitment, pragmatische oplossingen om een non-NAVO-raamwerk te vinden (de West-Europese Unie) voor de samenwerking tussen België, Italië, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk; en regelingen om andere landen (Denemarken, Duitsland, en Noorwegen) de ruimte die er in de NAVO was ontstaan, te laten benutten. Het resultaat: onverminderde effectiviteit van de NAVO binnen het verdragsgebied, en geen ernstige uitputting van de NAVO-middelen.

In een meer authentiek historisch stuk voert Lawrence Kaplan ons door de geschiedenis van de NAVO-uitbreiding. Hij benoemt zes stadia, waarvan er twee nog voor de ondertekening van het Verdrag van Washington plaatsvonden. In de eerste plaats, de toevoeging van Canada verleende extra geloofwaardigheid aan de idee van een echt transatlantisch Bondgenootschap, in plaats van een alliantie die alleen was opgezet om de betrokkenheid van Amerika bij de Europese zaken te vergemakkelijken. In de tweede plaats deden vijf landen die niet deelnamen aan de onderhandelingen van 1948 - Denemarken (inclusief Groenland), IJsland, Italië, Noorwegen en Portugal (inclusief de Azoren) - wel aan de oprichting van het Bondgenootschap mee. Meestal lagen daaraan geostrategische redenen ten grondslag. Duitsland, Griekenland en Turkije hadden vanaf het begin in de wachtkamer gezeten, en het was slechts een kwestie van tijd tot de omstandigheden zo waren dat zij konden toetreden. Spanje had al eerder mee willen doen, maar dat kon niet om dat het Bondgenootschap vijandig stond tegenover Francisco Franco. Kaplan's essay bespreekt het uitbreidingsproces van na de Koude Oorlog deskundig en uitvoerig. Hij stelt dat de ontwikkeling in de toekomst de precedenten uit het verleden zal volgen - volledige integratie van de kandidaten in de Europese architectuur zal even belangrijk zijn als de bijdrage die zij leveren aan de doelstellingen van het Bondgenootschap en hun militaire bijdrage.

In de volgende vijf hoofdstukken wordt het uitbreidingsthema verder uitgewerkt. Karl Heinz Kamp schreef in een tijd dat er aanwijzingen waren dat de verdere uitbreiding zou worden uitgesteld en beschrijft de belangrijke rol die de kostenfactor speelde, en niet de politieke of strategische overwegingen, in de debatten die in de Amerikaanse Senaat werden gevoerd over de ratificatie. Kay ziet de uitbreiding als positief voor de Verenigde Staten, voor de Europese Bondgenoten, voor de nieuwe leden zelf, en ook voor Rusland, maar misschien niet voor een uit zijn krachten gegroeide NAVO. Een Europa dat losgekoppeld zou worden van de Verenigde Staten en een NAVO die niet in staat is zo veel, zo snel te behappen, terwijl haar militaire geloofwaardigheid is afgenomen, is een spookbeeld dat meer dan één auteur bezig houdt.

De samensteller toont door omissie, dat hij niet gelooft dat de secretarissen-generaal van het Bondgenootschap een significante invloed kunnen uitoefenen. Hij heeft ongelijk, maar het zij hem vergeven, want het is moeilijker het uitoefenen van invloed te analyseren dan het uitoefenen van macht, en de macht is altijd in handen van de naties zelf gebleven. Toch zijn er aanwijzingen te vinden over de ware aard van het Bondgenootschap die nergens anders te vinden zijn, wanneer men zijn leiders bestudeert, dus het is jammer dat er geen hoofdstuk aan dit aspect is gewijd.

Helderheid en duidelijkheid zijn het slachtoffer in het tweede deel, waar sommige stukken doen denken aan aantekeningen voor een college, die vlak voor dat het gehouden werd per ongeluk op de grond gevallen zijn. Maar met Robert P. Grant komen we er beter achter hoe de barometer van de Amerikaanse betrokkenheid bij de NAVO werkt. Zijn hoofdstuk omvat een degelijk betoog, het windt er absoluut geen doekjes om, en het is de moeite waard om te bestuderen, vooral omdat het nog eens de opties beschrijft voortvloeiend uit een gelijktijdige verzwakking van de transatlantische veiligheidsbanden en van de Europese veiligheidssamenwerking, of uit een versterking van beide.

Frédéric Bozo onderkent dat het moeilijk is wezenlijk onderscheid te maken tussen collectieve veiligheid, VN-stijl, en collectieve verdediging, NAVO-stijl - maar hij probeert het toch. Ook dit is een bijdrage die niet put uit de voorafgaande geschiedenis, en ook geen beeld van de toekomst schetst. Het is overigens wel een goedgeschreven en juiste analyse. De auteur geeft een terugblik op de invloed van het in 1967 verschenen Harmel Rapport en herinnert ons er terecht aan dat het zoeken naar een goede balans in de NAVO-taken de sleutel blijft.

Het tweede deel bevat ook een nog al gekunstelde blik op de interactie tussen de Frans/Duitse, Duits/Amerikaanse, en Frans/Amerikaanse attitudes, wensen, en beleidspunten. Het belang van het Duitse vraagstuk voor het Bondgenootschap vanaf de begindagen komt uitgebreid aan de orde, maar er zit weinig samenhang in de verhalen. Vojtech Mastny's onderzoek naar de Oost-Europese inspanningen, onder haast onmogelijke beperkingen, om los te komen uit de wurggreep van de Sovjetunie op het Warschau Pact, is fascinerend. Het wordt gevolgd door een doctrinaire discussie (Michael McGwire) over veranderingen in het militaire denken van de Sovjets, en een meer relevante, historische bespreking (John M. McGinn) van de impact die de invasie van Tsjecho-Slowakije in 1968 heeft gehad. Het afnemend enthousiasme van het Westen voor de NAVO was ruim vier decennia lang, meer dan eens te wijten aan Sovjetacties.

John English en Charles G. Cogan lopen met ons langs enkele Noord-Amerikaanse visies op de oorsprong en betekenis van de NAVO, vaak maken zij daarbij gebruik van de standpunten van belangrijke personen uit de internationale politiek uit die tijd - Harold S. Truman, Pearson en anderen - om ons een gevoel voor die tijd mee te geven. Zij voeren ons terug naar het ontstaan van de Koude Oorlog. Cogan vindt de invloed die Amerika had op West-Europa minder dwingend, maar minstens even sterk als die van de Sovjet-Unie op Oost-Europa. Zij tonen overigens aan dat toen duidelijk geworden was dat Stalin maar één agenda had en de vrede van 1945 zag als een tijdelijke stilte voor het onvermijdelijk conflict, er eigenlijk geen alternatief was voor de NAVO.

Het derde deel begint met de betrekkingen in de defensie-industrie. De gevaren voortvloeiend uit het gebrek aan een "coöperatieve activiteitenportfolio" op dit terrein en de concurrentie tussen Europa en Amerika op alle markten op de wereld worden - nogmaals - uitvoerig beschreven en ook de politieke en praktische consequenties ervan. Er wordt aangetoond dat het Initiatief betreffende de Defensievermogens (DCI) van de NAVO een van de vele pogingen is in een lange rij om deze problemen aan te pakken. Zal een nieuw, in Praag te nemen, initiatief over de militaire vermogens dichter bij een oplossing van de problemen komen? Trevor Taylor's hoofdstuk, waarin verscheidene episodes in de sage van de transatlantische bewapeningssamenwerking worden besproken, is pijnlijke literatuur. Jacqueline MacGlade bekijkt de jaren 1950 en identificeert hetzelfde probleem - een gebrek aan betrouwbare mechanismes om nationale belangen in het gareel te krijgen. Zowel het probleem als de diagnose, zo lijkt het althans, blijven grotendeels onveranderd bestaan.

David G. Haglund bespreekt of een conflict in de defensie-industrie automatisch leidt tot corrosie van de Atlantische solidariteit. Hij besluit met een optimistischer geluid. Dat soort wrijving is naar zijn mening eerder een klein ongemak dan een ernstig strategisch gevaar. Hij gelooft niettemin dat de herinrichting van de NAVO-defensie-industrie een "belangrijke onafgemaakte taak" is. Sommige auteurs concluderen dat er weinig is dat regeringen kunnen, of willen doen. Als er al een oplossing is, dan moet die van de particuliere sector komen. Andere auteurs schrijven het beperkte succes van het DCI toe aan het feit dat het gezien wordt als een aanval op de Europese defensie-industrie die nog in de kinderschoenen staat - een perceptie die zal moeten veranderen, want anders heeft de opvolger van het DCI geen enkele kans. Ook wordt nog gesuggereerd dat de Europese concurrentie in deze sector het voor de Verenigde Staten alleen maar makkelijker maakt de contracten in de wacht te slepen.

Joachim Rohde noemt als onmisbare factor voor succes een geharmoniseerd of zelfs gezamenlijk Europees wapenexportbeleid, dat tot stand zou moeten komen via een reeks praktische stappen die op regeringsniveau of via de particuliere sector in gang gezet moeten worden. Maar hij waarschuwt herhaaldelijk tijdens zijn bespreking dat de aanpassingen die regeringen eventueel in hun houding ten opzichte van hun nationale defensie-industrie zouden willen aanbrengen, onvermijdelijk gevolgen zullen hebben voor hun beleid in zake veiligheid, defensie, buitenlandse zaken, buitenlandse handel, techniek, industrie en economie. Daarmee lijkt die mogelijkheid dus af te vallen. Keith Hayward is al even pessimistisch. Hij beëindigt zijn gedetailleerde beschrijving van het verschijnsel mondialisering met de sombere mening dat de Europese industrie in de knop zal verwelken, als de regeringen geen robuuste maatregelen nemen om dat te voorkomen.

De bespreking van het nucleair beleid vertelt meer over het proces dan over de resultaten. Ondanks de leidende rol van de Verenigde Staten als de leverancier en bevorderaar van het laatste redmiddel waarover de NAVO beschikt, moest het Amerikaanse standpunt bij vele gelegenheden worden gewijzigd om recht te kunnen doen aan de belangen van alle Bondgenoten. Sean M. Maloney voegt er wel een Canadese zienswijze aan toe, maar versterkt alleen maar de indruk dat de VS niet altijd zijn zin heeft gekregen. Wat duidelijk is, dat nucleaire zaken, ten minste tot het eind van de jaren 1960, domineerden en centraal stonden in praktisch alle binnen de NAVO gevoerde grote debatten.

Ook het vraagstuk van de non-proliferatie is niet nieuw. Dit principe ligt sinds 1945 verankerd in het Amerikaans beleid en wordt in ieder geval theoretisch toegepast op Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Maurice Vaisse draagt een evenwichtig hoofdstuk bij over de meningsverschillen die naar aanleiding van dit onderwerp ontstonden in de periode van 1957 tot 1963, dat zeer de moeite waard is. De spanning tussen de traditionele collectieve defensie en de collectieve veiligheid van "een holistische, humanitaire, post-nationale aard" is zeer goed omschreven.

Klaus Wittmann geeft een gezaghebbend verslag van het proces dat leidde tot de aanname van het Strategisch Concept van 1999. Hij doet iets unieks voor een analist, hij laat de continuïteit zien. Het nieuwe concept is in feite niets anders dan Harmel, maar dan een stap verder. Hoe meer samenwerking, des te minder afschrikking nodig is. Hij belicht ook een aantal dilemma's uitvoerig. Hoe kon men afstappen van het flexibel antwoord zonder te impliceren dat flexibiliteit en de behoefte aan een reactie ook overbodig waren geworden? Het betoog dat het nieuwe Concept het Bondgenootschap politieker heeft gemaakt, weerlegt hij afdoende. Het Concept is een terugkeer naar de politieke doeleinden van het verdrag, na een afleidingsactie die 40 jaar heeft geduurd, de Koude Oorlog.

Wittmann herinnert ons er ook aan dat het NAVO-beleid tijdens het grootste deel van haar bestaan gebaseerd is geweest op de gedachte dat men een aanvaller ervan moet overtuigen dat de kosten van een aanval groter zullen zijn dan de winst en dat agressie dus geen rationele optie is. Als we de vraag stellen "Wat is er nu echt veranderd?" dan moeten we op dit punt misschien even de tijd nemen om na te denken. In de context van het terrorisme, is een rationele keuze niet aan de orde. Toch zal tijdens de Top van Praag de validiteit van het uit 1999 daterende Strategisch Concept opnieuw worden bevestigd, want er is nog niemand die heeft uitgevonden hoe je een strategisch of een veiligheidsconcept moet opstellen dat een weerwoord geeft op een irrationele gedachtegang.

In de laatste hoofdstukken komt een oud probleem aan de orde, wat moet de NAVO doen als twee leden ruzie hebben? Het enige feitelijk juiste, maar beperkte antwoord berust op twee argumenten. Ten eerste, de NAVO was en is niet opgericht om interne geschillen op te lossen maar om externe bedreigingen aan te pakken. In de tweede plaats, hoewel dit niet de primaire rol van het Bondgenootschap is, heeft het zijn secretaris-generaal een "watching brief" gegeven, dit betekent dat hij - en via hem ook de rest van het Bondgenootschap - de zaken in het oog houdt en kan aanbieden om te bemiddelen, als alle partijen dat wensen. Soms willen ze dat; maar vaker willen ze het niet. Maar de mogelijkheid is er, en dat oefent een zekere beperkende invloed uit. Iets wat bijna even belangrijk is, maar waarvoor weinig empirisch bewijsmateriaal te vinden is, is dat de dynamiek van het Bondgenootschap in belangrijke mate voorkomt dat er open conflicten tussen de Bondgenoten ontstaan.

Deze hobbelige reis eindigt bij een bespreking van het Bondgenootschap in de toekomst, als een organisatie die niet alleen een beperkende invloed uitoefent, maar ook maatregelen aanneemt om de oplossing van interne geschillen tot een van zijn fundamentele taken te maken. Het is significant dat aspirant-leden die het Actieplan voor Aspirant-leden plichtsgetrouw uitvoeren grote vorderingen hebben gemaakt met de oplossing van regionale geschillen, wat een van de voorwaarden voor toetreding was. Hiervoor komt de NAVO ook wel enige lof toe. Maar dit is toch heel iets anders dan dat de oplossing van interne conflicten als een bestaansreden van het Bondgenootschap zou worden gezien, op een wijze die verandering zou brengen in de dagelijkse realiteit van de consensuspolitiek. En als er een duidelijk besluit is dat de Bondgenootschappelijke regeringen hebben genomen voorafgaand aan de hervormingen die tijdens de Top van Praag zullen worden aangekondigd, dan is het wel dat het consensus principe in steen gegrift is. Hoe verleidelijk het ook is je voor te stellen wat er allemaal zou kunnen gebeuren als dat niet zo zou zijn, is dat besluit misschien toch niet zo onverstandig.

Nicholas Sherwen werkt al vanaf 1979 voor het NAVO-Bureau Voorlichting en Pers. Hij heeft veel geschreven en gepubliceerd over Bondgenootschappelijke vraagstukken.

...top...