Go to Nato homepage
Ga naar de startpagina van de NAVO Kroniek
      Dit nummer: Zomer 2002 Vorige nummers  |  Taal
Go to Nato homepage
 Inhoud
 Voorwoord
 Samenvattingen
 Debat
 In memoriam
 Boekbespreking
 Interview
 Artikelen
 Analyse
 Militaire zaken
 Statistieken
 Medewerkers
 Links
 Volgend
 nummer
Ga naar de startpagina van de NAVO Kroniek Contact editor/ abonnement Druk-vriendelijke versie


dit artikel verder doorsturen













































Boekbespreking
Misdaad en straf
 

Nu de voormalige president van Joegoslavië in Den Haag terecht staat, bespreekt Christopher Bennett twee recente boeken over de effectiviteit van tribunalen voor oorlogsmisdaden.

Bijna precies tien jaar geleden riepen de televisiebeelden uit BosniŽ en Herzegovina van angstige, uitgemergelde mannen achter prikkeldraad, omringd door gewapende bewakers, beelden uit de Holocaust in herinnering. Zij deden een storm van verontwaardiging opgaan in de gehele wereld. In reactie daarop, en omdat mensenrechtenactivisten over de gehele wereld eisten dat er iets zou gebeuren, stelde de Veiligheidsraad in oktober 1992 een "commissie van deskundigen" in om bewijzen te verzamelen van oorlogsmisdaden in het voormalige JoegoslaviŽ. In die tijd was er al ťťn man, die bij uitstek verantwoordelijk werd gehouden voor de slachting en de wreedheden die kenmerkend waren voor de afscheidingsoorlogen in JoegoslaviŽ: Slobodan Milosevic.

Milosevic, de toenmalige Servische president, kreeg al spoedig na het uitbreken van de oorlog in BosniŽ en Herzegovina (BosniŽ) in de westerse media de bijnaam "de slager van de Balkan". In december 1992 werd hij door de toenmalige Amerikaanse minister van buitenlandse zaken al tot oorlogsmisdadiger bestempeld. Toch bleef hij nog acht jaar aan de macht, hij bleef tot zijn nederlaag in oktober 2000 in verkiezingen die hij had trachten te vervalsen, het vuur van het conflict aanwakkeren. Het moorden hield pas op, nadat de NAVO in augustus en september 1995 in BosniŽ had geÔntervenieerd met een tweewekenlange luchtaanval. Intussen had de VN-Veiligheidsraad in februari 1995 een resolutie aangenomen om in Den Haag een "international tribunaal" op te richten voor het vervolgen van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan op het grondgebied van het voormalige JoegoslaviŽ sinds 1991", het tribunaal dat tegenwoordig bekend staat als het ICTY (International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia: ICTY)

Ondanks het feit dat het tribunaal in het begin slechts over magere financiële middelen kon beschikken en slechts lauwwarme steun kreeg, om nog maar niet te spreken van de openlijke vijandigheid van de opvolgerstaten van het voormalige Joegoslavië, heeft het ICTY zich ontplooid tot een formidabele instelling, met meer dan 1.200 man personeel en een jaarlijks budget van 110 miljoen Amerikaanse dollars. De grootste vangst, Milosevic zelf, werd op 28 juni 2001 naar Den Haag overgebracht. Hij staat sinds februari dit jaar terecht voor misdaden tegen de menselijkheid, grove schending van de Conventies van Genève, schendingen van de gebruiken en wetten van de oorlog en genocide. Hij voert daarbij zijn eigen, brallerige verdediging voor een hof, waarvan hij de bevoegdheid weigert te erkennen.

De rechtszaak tegen Milosevic is goed voor een prachtig stuk theater. De bezoekerstribune is meestal stampvol en de journalisten die hem verslaan, zijn eraan gewend geraakt dat de smakelijke kopij hun in de schoot geworpen wordt. De zaak is bovendien een juridische primeur. Nog niet eerder is een zittend staatshoofd door een internationaal hof in staat van beschuldiging gesteld, gearresteerd en voor het gerecht gebracht. En dit heeft al precedenten geschapen voor de toekomstige activiteiten van een Internationaal Strafhof. Maar in welke mate levert de berechting van oorlogsmisdaden door het ICTY een bijdrage aan de catharsis van de vele slachtoffers, de levenden zowel als de doden, van de oorlogen in het voormalige Joegoslavië? Helpen ze het vredesproces, of staat ze die in de weg? En wat betekent ze voor de verzoening en de wederopbouw van het vertrouwen tussen de rivaliserende gemeenschappen, zo zij daar al iets voor kan betekenen?

Twee recente publicaties - The Key to My Neighbour's House: SEEKING JUSTICE IN BOSNIA AND RWANDA (Picador USA, New York, 2001) van Elizabeth Neuffer en Stay the Hand of Vengeance: THE POLITICS OF WAR CRIMES TRIBUNALS (Princeton University Press, Princeton, 2000) van Gary Bass - trachten een antwoord op deze vragen te vinden en zullen vermoedelijk de eerste zijn van een stortvloed aan boeken over dit onderwerp. Het eerste boek is het verhaal van een journaliste over de ervaringen van gewone mensen in zowel BosniŽ als Rwanda, die na het conflict gerechtigheid zochten en bereid waren voor een internationaal hof te vertellen over hun gruwelijke ervaringen. Het tweede boek omvat een wetenschappelijke studie van tribunalen voor oorlogsmisdaden te beginnen bij de Napoleontische Oorlogen, vervolgens via Leipzig en Constantinopel na de Eerste Wereldoorlog en Neurenberg na de Tweede, tot Den Haag op dit moment.

Neuffer, een bekroond journaliste bij de Boston Globe, heeft gedurende meer dan een half decennium over de conflicten in BosniŽ en in Rwanda gerapporteerd. In BosniŽ heeft zij uiterst zorgvuldig de verhalen van drie BosniŽrs gereconstrueerd, waaronder het verhaal van Hassan Nuhanovic, een VN-tolk in Srebrenica, in oost BosniŽ, die door zijn werk de massamoord heeft overleefd waarin zijn ouders omkwamen en zijn broer verdween. In Rwanda deed zij hetzelfde met Anonciata Kavarugada, een Hutu, wier man Joseph, president van het hooggerechtshof van zijn land, weggesleept werd uit hun huis in Kigali, de hoofdstad van Rwanda, en door Hutu-soldaten werd vermoord terwijl VN-blauwhelmen stonden toe te kijken. Ze vertelt ook het verhaal van JJ, een Tutsi, die regelmatig door een troep Hutu-militairen werd verkracht. Haar getuigenis heeft geleid tot de eerste veroordeling voor genocide in een rechtszaak voor een internationaal hof, waarbij verkrachting voor het eerst als een daad van genocide werd omschreven.

Al deze verhalen, zoals talloze verhalen in Bosnië en Rwanda, zijn indrukwekkende, hartverscheurende verslagen van de onmenselijke daden van de ene mens tegenover de ander. Zelfs nu nog, zeven jaar na dato, zijn vooral de gebeurtenissen van juli 1995 in Srebrenica, waar misschien wel 8.000 Moslimmannen en -jongens zonder enige vorm van proces zijn geëxecuteerd, diep schokkend. Deze gruwelijke slachtpartij, gereconstrueerd door ooggetuigen, de beschrijving en de opgraving van massagraven, de onverschilligheid en de leugens van de verantwoordelijke personen, die Neuffer heeft opgespoord en geïnterviewd, het gevoel van internationaal verraad, dat Nuhanovic heeft ervaren, vormen boeiende, maar dieptreurige lectuur. Het is moeilijk het oog droog te houden, als een wanhopige Nuhanovic afscheid neemt van zijn moeder, vader en broer in de angst dat hij hen nooit weer zal zien.

Hoewel de Verenigde Naties er in haar boek niet best vanaf komen, krijgen sommige VN-mensen van Neuffer meer lof. Een van hen is Gabrielle Kirk McDonald, de rechter-president tijdens de eerste rechtszaak. Een van de dingen waar McDonald zich zorgen over maakte, was of het werk van het tribunaal enig verschil zou uitmaken waar dat van belang was, namelijk in BosniŽ en de rest van het voormalige JoegoslaviŽ zelf. Het was zelfs grotendeels aan de inspanningen van McDonald te danken, dat het ICTY in 1999 is gestart met een outreach-programma, dat ten doel heeft het werk van het tribunaal uit te leggen aan de bevolkingen van het voormalige JoegoslaviŽ. Veel van de BosniŽrs en Rwandezen die in Neuffers boek voorkomen, koesteren echter gemengde gevoelens ten opzichte van de internationale rechtspleging. Ze ergeren zich met name over het trage tempo ervan. Kavarugada ondernam zelfs de unieke stap de Verenigde Naties aan te klagen, omdat de VN haar man niet had kunnen beschermen. Andere getuigen willen van de berechting van oorlogsmisdaden overstappen naar een waarheidscommissie.

Nog frustrerender voor McDonald was, dat er geen grote namen waren om te berechten en dat men er niet in was geslaagd de voormalig Bosnisch-Servische leiders Radovan Kradzic en Ratko Mladic te pakken te krijgen, die tot op de dag van vandaag op vrije voeten zijn. Zij verliet in november 1999 het ICTY op een moment dat noch Radovan Kradzic en Ratko Mladic, noch Slobodan Milosevic, die een half jaar te voren in staat van beschuldiging was gesteld, waren opgepakt. In een interview met de Washington Post zei ze: "Dat die lui nog vrij rondlopen, maakt een aanfluiting van onze belofte aan aspirant-tirannen, dat zij zullen worden aangeklaagd en gearresteerd en dat zij zich zullen moeten verantwoorden voor alle misdaden en schendingen van de mensenrechten waarvan zij zijn beschuldigd."

Hoewel Neuffers boek pas verscheen toen Milosevic al naar Den Haag was overgebracht, was het onderzoek en het schrijfwerk al grotendeels voor die belangrijke dag gedaan. Daarom geeft het een beeld van de frustraties van de vroege jaren van het ICTY. De eerste hardcover uitgave van Bass' boek Stay the Hand of Vengeance was ook al af, voordat Milosevic naar Den Haag was overgebracht en vermeldt deze gebeurtenis dus helemaal niet. De paperback uitgave daarentegen, bevat een nawoord over het aanklagen van Milosevic, zijn arrestatie en zijn overdracht aan Den Haag en de betekenis daarvan.

Stay the Hand of Vengeance is een indrukwekkend researchwerk. Het is een kroniek die beschrijft hoe liberale staten de afgelopen 200 jaar vorm hebben gegeven aan hun principiŽle overtuiging dat oorlogsmisdadigers na afloop van de oorlog berecht dienen te worden. Het boek is in feite een kritische beschouwing over het falen van oorlogstribunalen en laat bij de lezer geen enkele twijfel bestaan over de omvang van de taak die het ITCY nog te wachten staat.

Bass baseert zijn analyse op het beleid van tribunalen voor oorlogsmisdaden op de volgende vijf stellingen. Ten eerste, alleen liberale staten met een juridische traditie staan werkelijk achter deze tribunalen. Ten tweede, zelfs liberale staten dringen niet aan op tribunalen voor oorlogsmisdaden, als zij daardoor hun eigen soldaten in gevaar zouden kunnen brengen. Ten derde, liberale campagnes voor internationale gerechtigheid zijn beslist niet zonder eigenbelang. Ze zijn veel verontwaardigder over oorlogsmisdaden tegen hun eigen burgers, dan tegen buitenlanders. Ten vierde, liberale staten zullen een tribunaal voor oorlogsmisdaden eerder steunen als de publieke opinie, en niet slechts een elite, verontwaardigd is over de oorlogsmisdaden in kwestie. En ten vijfde, pressiegroepen van burgers kunnen zeer effectief zijn voor het totstandkomen van een tribunaal, zij kunnen liberale staten tot actie dwingen en expertise leveren.

Ironisch genoeg heeft Milosevic voordeel van het rechtsgevoel van liberale staten. Het stelt hem in staat de bevoegdheid van het ICTY te ontkennen en verplicht zijn aanklagers volgens de hoogste maatstaven te werk te gaan, en pijnlijk nauwkeurig al het bewijsmateriaal te verzamelen om de zaak tegen Milosevic op te bouwen. Het feit dat hij en andere belangrijke verdachten van oorlogsmisdaden niet eerder zijn aangehouden, of zelfs nog op vrije voeten zijn, houdt duidelijk verband met het gevaar verbonden aan hun arrestatie. Aangezien de misdaden waarvan Milosevic wordt beschuldigd tegen Albanezen, Kroaten en Moslims zijn begaan en niet tegen westerlingen, waren de Westerse landen begrijpelijkerwijze huiverig hem voor het gerecht te brengen en daarmee de levens van hun soldaten in het gevaar te brengen. Dat gezegd zijnde, was de woede in het westen over de gebeurtenissen in BosniŽ, KroatiŽ, en Kosovo in de jaren 1990 zo groot, dat het ICTY werd opgericht en dat er nog steeds steun is voor de rechtszaken die daar plaatsvinden. Bovendien houden activistische non-gouvernementele organisaties de Westerse regeringen onder druk om te zorgen dat het ICTY voldoende middelen krijgt en dat nog meer verdachten van oorlogsmisdaden voor het gerecht worden gebracht.

Het proces van Milosevic is duidelijk een mijlpaal. Bass wijst er echter op, dat er al eerder zulke mijlpalen zij geweest, en weer verdwenen. De scheidlijn tussen het succes en het falen van tribunalen voor oorlogsmisdaden is bovendien flinterdun. Het is ontnuchterend te lezen dat de processen van Neurenberg, die door de meeste voorstanders van tribunalen voor oorlogsmisdaden worden gezien als de ultieme triomf van het recht over de wraak, op een haar na niet hadden plaatsgevonden. Moskou wilde na de overwinning grote aantallen Nazi's executeren en ook Londen riep op tot de onmiddellijke executie van de topleiders van de As, maar zij moesten zich uiteindelijk neerleggen bij de wens van Washington dit niet te doen. Maar zelfs in Washington waren de meningen verdeeld. Henry Morgenthau Jr., de minister van financiŽn, drong aan op strenge vergeldingsmaatregelen - meer dan 2.500 executies op staande voet, herstelbetalingen, verplaatsing van bevolkingsgroepen en de pastoralisatie van Duitsland - terwijl Henry Stimson, de oorlogsminister, aandrong op de berechting van oorlogsmisdaden, vanwege het respect voor een juiste procesgang in de VS zelf.

Hoewel Stimson het debat won, hadden de meest Amerikanen het grootste bezwaar tegen de pastoralisatie van Duitsland en niet tegen de manier waarop er met de verslagen Nazi's zou worden omgegaan. Bovendien wilde Stimson Nazi-Duitsland vooral berechten voor het voeren van een agressieve oorlog, en niet voor de Holocaust. Hoewel wij ons de Neurenberg-processen vooral herinneren vanwege de straffen die er werden uitgedeeld voor misdaden tegen de menselijkheid - en dat is beslist hun belangrijkste nalatenschap - was dat onderwerp toen slechts van secundair belang.

Misschien zal ook de moeizame start van het ICTY uiteindelijk in zijn voordeel blijken te zijn. Naar aanleiding van het proces tegen Milosevic beweren de voorstanders van tribunalen voor oorlogsmisdaden bijvoorbeeld nu al, dat het ICTY oorlogsmisdaden in de toekomst zal helpen afschrikken, ServiŽ zal rehabiliteren, en de smet van de collectieve schuld zal wegnemen, door de verantwoordelijkheid te individualiseren en de werkelijke gebeurtenissen op schrift te stellen. Bass laat zich hierdoor niet meeslepen. Hij is alleen een voorstander van tribunalen voor oorlogsmisdaden omdat zij "de minst slechte optie" zijn. Het is ontroerend dat hij zijn boek opdraagt aan de "bevolking van BosniŽ en Herzegovina. Te laat."

Christopher Bennett is redacteur van de NAVO Kroniek en schrijver van het boek "Yugoslavia's bloody collapse: causes, course, and consequences" (New York University Press, New York, 1995).

...top...